De gemiste kansen van bachelor master
Half november, veel later dan gepland, was het dan zover. Minister Hermans presenteerde zijn plannen voor invoering van het bachelor mastersysteem in het Nederlandse hoger onderwijs. Voor ingewijden in het onderwijs had Hermans’ notitie weinig nieuws in petto. In grote lijnen nam de bewindsman het advies over van de commissie-Rinnooy Kan, die al voor de zomer een lijvig rapport produceerde. De eigen inbreng van de minister bestond paradoxaal genoeg vooral uit de mededeling dat van rijkswege weinig beleid te verwachten is, laat staan extra financiële middelen. En dat baart de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) grote zorgen. Kwaliteit, diversiteit en toegankelijkheid van het onderwijs kunnen wel eens danig in de knel komen.
Het leek allemaal zo gek nog niet, dat bachelor mastersysteem. Hoewel gedwongen door internationale omstandigheden (de Bolognaverklaring), was de invoering van een twee fasenmodel wellicht een goede aanleiding om het ingedutte en verschraalde hoger onderwijs in Nederland van een stevige kwaliteitsimpuls te voorzien. Jaren van opgelegde bezuinigingen, steevast bewerkstelligd met de gevreesde kaasschaafmethode, zijn niet straffeloos aan hogescholen en universiteiten voorbij gewaaid. De geldkraan naar onderwijsinstellingen werd stilaan dichtgedraaid, het aanbod van opleidingen en onderzoeksfaciliteiten verschraalde, de studieduur werd in een mum van tijd teruggebracht van zes naar vier jaar, om nog maar te zwijgen van het financiële regime dat studenten werd opgelegd: verhoging van het collegegeld, verlaging van de basisbeurs en invoering van tempo - en prestatiebeurs. Eigenlijk is de meest cynische en tragische conclusie dat tot het aantreden van het tweede paarse kabinet alle onderwijsveranderingen werden ingegeven door pure bezuinigingsdrift, en werkelijk niet één door redeneringen van meer onderwijskundige aard.
Gezien deze treurige voorgeschiedenis was het geen wonder dat invoering van een stelselwijziging zonder bezuinigingsoogmerk aanvankelijk reden gaf tot lichte vreugde, zelfs bij studentenbonden. Maar dit optimisme werd al snel en vakkundig de grond in geboord door respectievelijk het rapport-Rinnooy Kan, de presentatie van de onderwijsbegroting 2001 en de kabinetsplannen voor bachelor master. Rinnooy Kan kondigde al aan dat overheidsbekostiging en studiefinanciering voor de volledige bachelor- en masteropleiding niet vanzelfsprekend is. Uit de onderwijsbegroting bleek bovendien pijnlijk dat Hermans geen extra geld wil uittrekken voor de stelselwijziging, alle mooie frasen over modernisering en flexibilisering van het onderwijs ten spijt. De kabinetsnotitie Naar een open hoger onderwijs tenslotte zet, in al haar zuinigheid, de deur wijd open naar privatisering van het hoger onderwijs. Sponsoring, duale leerwegen, bedrijfsopleidingen, niets lijkt te gek, zolang het de overheid maar geen extra geld kost. Hermans vindt bachelor master echt geweldig, zo lijkt het, maar onderwijsinstellingen en studenten mogen het samen gezellig uitzoeken, en, vooral, opdraaien voor de kosten.
De LSVb vindt de voorgestelde invoering van bachelor master een scala van gemiste kansen. Enerzijds is het schrijnend te merken dat in deze tijden van hoogconjunctuur, waarin iedereen woorden tekort komt om het belang van onderwijs te benadrukken en waarin politici pochen over een aanstaande Kenniseeuw, een grote stelselwijziging als deze niet gepaard gaat met een flinke investering. Anderzijds is het jammer dat de invoering van bachelor master niet wordt aangegrepen om het hoger onderwijs in Nederland echt grondig te renoveren en te verbeteren, bijvoorbeeld door het op de helling zetten van de verouderde scheiding tussen universiteiten en hogescholen.
De invoering van bachelor master is hét moment om het Nederlandse hoger onderwijssysteem een flinke kwaliteitsimpuls te geven. Dat is hard nodig, want om tot de gewenste kennissamenleving en kenniseconomie te komen, moet er ook in het hoger onderwijs veel veranderen. Daarom is het vreemd dat de regering nauwelijks lijkt te willen investeren in het hoger onderwijs. De cultuur van bezuinigingen zwerft nog steeds rond in de Zoetermeerse apenrots en in politiek Den Haag. Zelfs nu de miljarden als gebraden duiven in de monden van politici vliegen, komt het onderwijs en met name het hoger onderwijs, er bekaaid vanaf. De acute kwaliteitsproblemen zijn met het einde van de bezuinigingen wellicht voorbij, maar Hermans houdt het in zijn beleid slechts bij een summier pakketje achterstallig onderhoud. Voor de komende jaren vertoont het bedrag dat per student wordt uitgegeven zelfs een dalende lijn! Deze impliciete bezuiniging staat in schril contrast met de propaganda voor de kenniseconomie die het kabinet in woord en geschrift belijdt.
De kwaliteit van het onderwijs moet in de toekomst (beter) gewaarborgd worden
door het invoeren van een accrediteringsstelsel. Zonder te denken dat accreditering een panacee is voor een kwalitatief goed onderwijs, is een keurmerk zeker een stap vooruit. (Internationale) herkenbaarheid en vergelijkbaarheid van opleidingen is voor de student en het onderwijs van groot belang, zonder dat daarbij overigens verschillen in niveau en kenmerken moeten worden genegeerd. Europees onderwijs heeft geen behoefte aan een grijze middenmoot, wel aan een stevig minimumniveau met verrassende en verschillende invalshoeken.
Wie wil investeren in de kwaliteit van het onderwijs, ontkomt niet aan een verlening van de totale studieduur. Terecht spreekt de commissie-Rinnooy Kan haar voorkeur uit voor een studieduur van vijf jaar: drie jaar brede inleidende vakken in de bachelorfase, twee jaar verdieping in de masterfase. Voor de noodzakelijke verdieping (daar is de masterfase tenslotte voor bedacht) is een minimaal twee jaar durende masterfase onontbeerlijk. Hermans vindt van niet. Het gaat hem, zo zegt hij, om de kwaliteit en niet om de lengte van een studie. Kan het in een jaar, dan gaat het in een jaar. Komt een opleiding tot de conclusie dat echt twee jaar nodig is, dan mogen ze dat extra jaar best aanbieden. Ze moeten dan echter zelf maar zien wie er voor betaalt. Studenten die de uitdaging van twee jaar wetenschappelijke verdieping wel willen aangaan, moeten vooral hun best doen, maar hebben geen recht op studiefinanciering.
Over dit laatste aspect hebben Peter Rehwinkel (Tweede Kamerlid voor de PvdA) en
Farid Tabarki (lid van de commissie-Rinnooy Kan) terecht de noodklok geluid in Het Parool van 30 november. Zij vrezen voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs als studenten geen studiefinanciering ontvangen voor de volledige masterfase en roepen Hermans op dit te corrigeren. Wie na de bachelor gaat werken of iets anders gaat doen, moet dat vooral doen. Wie echter verder wil mag onderweg geen financiële obstakels tegenkomen, dat is oneerlijk, niet sociaal en inconsequent. Als Hermans echt werk wil maken met bachelor master en onderwijsvernieuwing, past hij het studiefinancieringsstelsel daarop aan. In het huidige systeem, dat al tot op het bot is uitgekleed door tal van bezuinigingen, geldt tenminste nog dat je studiefinanciering ontvangt voor de periode van de studieduur. Die regel zal als het aan Hermans ligt vervallen.
Zo logisch als het is dat studenten die vijf jaar studeren vijf jaar studiefinanciering moeten krijgen, zo logisch is het dat (erkende) opleidingen die een vijfjarige cursus aanbieden, vijf jaar overheidsgeld krijgen. Onderwijsinstellingen moeten de gekste bokkensprongen maken om voldoende geld op te hoesten voor het vijfde jaar, met alle mogelijke desastreuze gevolgen van dien. Neem nou een notitie van de Vrije Universiteit. Daarin wordt als een van de mogelijke oplossingen voor het vijfde jaar genoemd om ‘te bekostigen op basis van contracten met overheid en bedrijfsleven’. VU-masters worden mogelijk deels gefinancierd op basis van een contract tussen de opleiding en een bedrijf, ‘waarbij de student zich verplicht om na het behalen van de mastergraad een contractueel vastgelegde periode voor de financierende instelling te werken.’ Waar blijft de academische onafhankelijkheid? Hoe zit het met de vrijheid van de student?
Het is te hopen dat PvdA’er Rehwinkel zijn ferme taal herhaalt tijdens de Kamerbehandeling van Hermans’ voorstellen en dat hij zijn collega’s van zijn gelijk overtuigt. De Tweede Kamer moet de minister krachtig laten weten dat hij op een dwaalspoor verkeert. Hermans zegt dat er geen politiek draagvlak is voor bekostiging van het vijfde jaar. Maar politiek draagvlak moet je creëren. Een onderwijsminister kan daarmee bijvoorbeeld beginnen in de wekelijkse ministerraad.
Politiek en samenleving vinden onderwijs terecht een belangrijke overheidstaak. De plannen van Hermans bedreigen echter het nu nog grote maatschappelijke draagvlak voor het onderwijs door hoger onderwijs voor een deel afhankelijk te maken van economische fluctuaties in plaats van politieke prioriteiten. De LSVb hoopt dat een krachtige alliantie van parlementariërs, studenten, universiteiten en hogescholen de dwaling van het kabinet ongedaan maakt en ervoor zorgt dat de invoering van bachelor master een werkelijke verbetering inhoudt. Als dat gebeurt, kunnen ook volgende generaties de vruchten plukken van een hoogstaand hoger onderwijs.
Ruben Post (bestuurslid Landelijke Studenten Vakbond).