Wat zijn leerrechten?
Inhoud:Wat zijn leerrechten?Leerrechten en instellingsbekostigingCollegegeldkrediet, een sigaar uit eigen doos
Wat zijn leerrechten?Staatssecreretaris Rutte houdt niet van stilzitten. Hij is van plan om het hele financieringsstelsel van het hoger onderwijs te veranderen. De ideeën die hij daarbij heeft, heeft hij gepresenteerd in de beleidsbrief ‘Meer flexibiliteit, meer keuzevrijheid, meer kwaliteit’. Hieronder volgt een beschrijving van de plannen, gepresenteerd in de beleidsbrief.
De plannen hebben betrekking op drie financieringsgebieden binnen het hoger onderwijs. Deze financieringsgebieden zijn:
1. De collegegeldsystematiek (het collegegeld dat de student ieder jaar betaald om te mogen studeren)
2. Het stelsel van studiefinanciering (de hoogte van je beurs en periode waarop de student daarop recht heeft en OV-jaarkaart)
3. De bekostiging van onderwijsinstellingen (de vergoeding die de hogeschool of universiteit van de overheid krijgt om onderwijs te geven)
Deze drie financieringsgebieden koppelt de staatssecretaris aan leerrechten. Leerrechten zijn persoonlijke rechten op het genieten van door de overheid bekostigd onderwijs. Deze leerrechten worden vertaald in een studietegoed. (beleidsbrief p5)
We kunnen dus het volgende stellen over leerrechten:
- Leerrechten worden gekoppeld aan een individuele student. Ze gelden dus alleen voor jou persoonlijk. Een vriend/vriendin kan geen aanspraak maken op jouw leerrechten, je kan ze niet weggeven.
- Leerrechten zijn alleen geldig voor door de overheid bekostigd onderwijs. Ze zijn dus niet van toepassing op privaat hoger onderwijs.
- Ze worden vertaald in een studietegoed. Staatssecretaris Rutte spreekt in dit kader over ‘een rugzakje met geld’. De student krijgt een ‘rugzakje’ om 1 bachelor-opleiding en eentje om een master-opleiding te volgen. De hoogte van het studietegoed (of de inhoud van het rugzakje) is afhankelijk van de duur van de bachelor en master-opleiding.
We hebben dus gezien dat staatssecretaris Rutte studietegoed / ‘rugzakjes met geld’ wil uitdelen aan studenten, waarmee ze 1 bacheloropleiding en 1 master opleiding kunnen kopen. In de paragrafen hieronder zal besproken worden welke effecten leerrechten hebben op collegegeld, studiefinancieringsstelsel en bekostiging van instellingen.
Binnen het hoger onderwijs spelen een aantal ontwikkelingen. Naast het feit dat onderwijs voor de samenleving steeds belangrijker wordt (de kennissamenleving en de kenniseconomie), zijn er ook binnen het hoger onderwijs vele veranderingen opgetreden. Denk aan de Bachelor-Master Structuur, de toenemende internationale oriëntatie van het onderwijs, maar ook de heterogene studentenpopulatie met individuele eisen en wensen aan het onderwijstraject (het volgen van vakken binnen de major-minor stuctuur of het volgen van competentiegericht onderwijs of duale trajecten). Naast het toenemende belang van hoger onderwijs in de kennissamenleving en veranderingen in het hoger onderwijs, ziet de staatssecretaris nog twee redenen om het financieringsstelsel aan te passen. Allereerst ligt er in het huidige financieringsstelsel een grote nadruk op diploma bekostiging (een bedrag dat hoger onderwijsinstellingen van de overheid ontvangen als een student bij hun een diploma haalt) . Dit maakt het financieringsstelsel fraudegevoelig. Door het invoeren van leerrechten wordt geprobeerd om een betere relatie gelegd tussen onderwijsinspanning van de instelling en de bekostiging.
Daarnaast wil de staatssecretaris er voor zorgen dat studenten naast hun studie minder te hoeven werken. Op dit moment werken veel studenten naast hun studie, wat ten koste gaat van de tijd, die zij aan hun studie besteden. Daardoor doen veel studenten volgens de staatssecretaris te lang over hun studie.
Studenten krijgen slechts gedurende een beperkte periode leerrechten. Ze kunnen dus een beperkt aantal jaar beschikken over het rugzakje met geld. De periode waarin de student kan beschikken over de leerrechten is de cursusduur van de bachelor en masteropleiding, plus anderhalf jaar (c+1,5 ). Als je een driejarige bachelor en eenjarige master volgt, krijg je dus 5,5 jaar studietegoed. Doe je een driejarige bachelor en een tweejarige master, dan krijg je 6,5 jaar studietegoed, etc.
De relatie tussen de leerrechten en het collegegeld is, dat de onderwijsinstelling verplicht is om gedurende de periode dat de student studietegoed heeft het wettelijk collegegeld te vragen (in cursusjaar 2004/2005 € 1476,-). Nadat de student zijn studietegoed verbruikt heeft, mag de instelling hem het instellingscollegegeld vragen. De instelling mag dan dus zelf bepalen hoe hoog het collegegeld wordt dat zij de student vraagt. Gesproken wordt momenteel over een instellingscollegegeld van rond de € 4500,-
Het hogere collegegeld na het studietegoed moet ertoe leiden dat studenten sneller dan nu afstuderen en dat studenten kritischer worden op hun opleiding, omdat ze zich financieel geen ‘educatieve misstap’ kunnen veroorloven. Als de opleiding van hun keuze hen niet bevalt, zullen ze naar een andere onderwijsinstelling overstappen. Om dit mogelijk te maken, wordt het collegegeld per halfjaar betaald, zodat de student ieder half jaar kan besluiten om de opleiding van zijn keuze aan een andere onderwijsinstelling voort te zetten.
Naast het collegegeld wordt ook de studiefinanciering aangepast aan de leerrechten. Het doel is dat studenten meer gaan investeren in hun eigen ontwikkeling.
Nieuw aan het systeem van studiefinanciering is dat de student nog slechts recht heeft op studiefinanciering gedurende zijn cursusduur + drie jaar (c+3). Deze aansprak op studiefinanciering moet ingezet worden binnen een periode van 10 jaar, de diplomatermijn.
Het bedrag aan studiefinanciering is nu (prestatiebeurs-stelsel) officieel onderverdeeld in een bedrag voor boeken en leermiddelen, levensonderhoud, collegegeld en reizen. Nieuw in het voorstel van Rutte is dat de staatssecretaris studenten de mogelijkheid biedt om collegegelden niet vooraf te betalen, maar te lenen van de overheid. Het collegegeldkrediet. Gedurende de cursusduur plus anderhalf jaar (c+1,5) kunnen studenten het wettelijk collegegeld lenen. Gedurende het tweede en derde jaar naar de cursusduur kunnen studenten het (hogere) instellingscollegegeld lenen.
Het rentepercentage is gelijk aan de rente waartegen nu geleend kan worden bij de IB-Groep (de rente op staatsobligaties met een looptijd van 3-5 jaar ), verhoogd met 1 procentpunt.
De meeste aspecten in het studiefinancieringsstelsel zijn dus niet verandert. Het enige verschil is dat via het collegegeldkrediet het collegegeld geleend kan worden tegen een hogere rente dan nu bij de IB-Groep geleend kan worden via de rentedragende lening.
We kunnen het de relatie tussen het systeem van leerrechten en het doel ervan schematisch als volgt weergeven:
|
(Vertaald
in studietegoed)

|
|
|
|
|
|
Leerrechten
|

|
Student
maakt scherpere keuzes
|

|
- Hogere
kwaliteit van opleidingen
- Doelmatigheid van opleidingen omhoog
|
|
|

Student reageert op financiële prikkels
|
|

Mits voldaan is aan:
- volledige informatie bij studenten
- voldoende keuzemogelijkheden
- kunnen en willen kiezen door studenten
|
|
De redenering is dat de student leerrechten krijgt in de vorm van een zak met geld, het studietegoed. Omdat dit tegoed aan een bepaalde periode gebonden is, zal de student scherpere keuzes maken. Hij zal een hogere kwaliteit van zijn opleiding eisen, omdat hij maar 1 opleiding kan volgen tegen het lagere wettelijke collegegeld. De doelmatigheid van opleidingen zal ook verbeteren, omdat instellingen alleen opleidingen aanbieden die studenten willen volgen, anders zullen ze een andere opleiding gaan volgen. Het leerrechtenstelsel kan alleen zorgen voor hogere kwaliteit en doelamtigheid van opleidingen als aan een aantal voorwaarden voldaan is. Het is nog maar de vraag in hoeverre deze voorwaarden opgaan. In het volgende zullen ze besproken worden.
Leerrechten en instellingsbekostigingOok de instellingsbekostiging wordt aangepast. De rijksbijdrage die hogescholen en universiteiten ontvangen om onderwijs te verzorgen, wordt gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten met studietegoed en op het aantal afgegeven diploma’s.
Onderwijsinstellingen krijgen dus geld om onderwijs te geven, gebaseerd op twee criteria. Het aantal studenten met studietegoed en het aantal studenten dat bij hun een diploma haalt.
De bekostiging die een instelling ontvangt per het aantal studenten met studietegoed, is gedifferentieerd naar de soort opleiding die de studenten volgen. Dus voor een dure natuurkunde student met studietegoed krijgt een instelling meer geld van de overheid dan voor een rechtenstudent met studietegoed, omdat de opleiding natuurkunde de instelling meer kost dan de opleiding rechten.
De hoogte van de diplomaopslag die de onderwijsinstelling ontvangt is ’25 procent van de eenheden die een student heeft gebruikt om een bachelor of masteropleiding te volgen bij die instelling die een getuigschrift afgeeft.’ (meer flexibiliteit, meer keuzevrijheid, meer kwaliteit, p16). Alleen het eerste bachelor- of masterdiploma van een student komt in aanmerking voor diplomaopslag. Als een student een tweede studie volgt aan een instelling en daarin een bachelor of masterdiploma haalt, krijgt de instelling daarvoor dus geen diploma-opslag.
Deze systematiek geldt voor zowel hogescholen als universiteiten. Echter, omdat universiteiten ook een verwevenheid van onderwijs met onderzoek hebben, kunnen universiteiten aanspraak maken op een speciale onderzoeksbekostiging.
Om de transitie naar het oude systeem naar dit systeem gebaseerd op aantallen studenten met studietegoed en diploma’s mogelijk te maken, komt er tijdelijk een speciale onderwijsopslag.
Collegegeldkrediet, een sigaar uit eigen doosWe hebben gezien dat het leerrechtenstelsel een aantal vooronderstellingen en voorwaarden kent, waaraan voldaan moet zijn wil het leiden tot een hogere kwaliteit van opleiding en een grotere doelmatigheid. Het is zeer de vraag in hoeverre hieraan voldaan gaat worden, wel blijkt uit onderzoek gedaan in opdracht van het ISO, dat minder studenten zullen studeren en dat ze minder goed zullen gaan studeren. Dit is zeer verontrustend, want dit gaat in tegen doelstelling van het kabinet om meer en betere studenten op te leiden.
Een ‘ruimhartige’ maatregel van de staatssecretaris binnen het leerrechtensysteem, is het collegegeldkrediet, oftewel de mogelijkheid om het (wettelijk en instellings-) collegegeld te kunnen lenen bij de overheid. Hierdoor kan een groter gedeelte van de huidige studiefinanciering aangewend worden voor financiering van leermiddelen en levensonderhoud van de student, en hoeft de student dus minder te werken en zal het rendement van de student dus stijgen.
De rente die berekend zal worden over het collegegeldkrediet is 1 procentpunt hoger dan de rente die nu berekent wordt over de schuld die een student heeft bij de IB-Groep . Studenten kunnen dus het bedrag aan collegegeld lenen tegen een hogere rente dan nu het geval is. Maar de realiteit is dat studenten nu al leenangst hebben en, bevreesd om na het afronden van een studie met een grote schuld te zitten, werken ze liever dan dat ze lenen. De staatssecretaris heeft aangegeven deze leenangst tegen te willen gaan en besluit daarom om de rente op studieschulden te verhogen!
Hoe mooi collegegeldkrediet in theorie ook lijkt, in de praktijk zal het (zolang de student het instellingscollegegeld betaald) niet werken. Het collegegeldkrediet is namelijk een nutteloze maatregel, omdat studenten nu ook al hun collegegeld kunnen lenen tegen een lagere rente, maar dit nu al niet durven. Blijkbaar verwacht de staatssecretaris dat studenten wel durven lenen als hij de rente verhoogt.
Hieronder zal uitgelegd worden waarom collegegeldkrediet nutteloos is: Het collegegeldkrediet voorziet erin dat studenten het (wettelijk) collegegeld kunnen lenen bij de overheid. Het collegegeld is € 1476,-, dus per maand kunnen studenten € 123,- lenen. Afhankelijk van het inkomen van de ouders, kunnen studenten nu minimaal € 258,- per maand en maximaal € 460,- per maand lenen bij de IB-Groep. Het bedrag dat een student maximaal kan lenen, is dus minimaal € 258,-. Gemiddeld, zo blijkt uit cijfers van de IB-Groep, lenen de studenten die een lening hebben voor € 109,47.
Wanneer we dit gemiddelde leenbedrag waaraan behoefte is, optellen bij het bedrag dat via het collegegeldkrediet geleend kan worden, dan zal de student gemiddeld € 232,47 willen lenen, zodat hij hetzelfde effect heeft als met collegegeldkrediet (namelijk dat hij zijn beurs niet hoeft aan te spreken om collegegeld te betalen). Omdat het minimale maximumbedrag dat studenten kunnen lenen nu € 258,- is, kunnen studenten hun collegegeld nu ook al bij de IB-Groep lenen. In andere woorden: collegegeldkrediet bestaat al! Het is nu al mogelijk om bij de IB-groep een dusdanig bedrag te lenen dat het instellingscollegegeld voldaan kan worden EN de student aan zijn leenwensen (ontstaan buiten de collegegeldprikkels) gehoor kan geven.
Concluderend kunnen we dus stellen dat aan het hele systeem van leerrechten meer haken en ogen zitten dan in eerste instantie het geval lijkt. De veronderstellingen en aannames die gemaakt worden, zijn vaak omstreden en het dan ook zeer de vraag of het leerrechtensysteem zal leiden tot meer kwaliteit en doelmatigheid. Wat wel zeker is, is dat minder studenten zullen gaan studeren, en dat studenten met mindere resultaten, dus minder goed zullen gaan studeren. De zesjescultuur, wordt er juist door gestimuleerd, terwijl in het HOOP 2004 toch duidelijk staat dat deze doorbroken dient te worden. Het zogenaamd revolutionaire idee van collegegeldkrediet is gedoemd te mislukken. Ten eerste is het hele systeem binnen de huidige collegegeldsystematiek reeds mogelijk en dan nog wel tegen een lagere rente. Ten tweede kennen studenten leenangst. Het is zeer onwaarschijnlijk dat een verhoging van de rente zal leiden tot een afname van de leenangst.