Category Archives: opinieartikel

Beleidsstuk Onderwijs en Geld opinieartikel publicatie rapport

Sociaal leenstelsel privatiseert onderwijs

Onder het motto ‘studeren is investeren’ probeert het kabinet het gedeeltelijke privatiseren van het onderwijs te verkopen als sociaal beleid. Bovendien is het, door een forse daling van het aantal studenten, een doemscenario voor de kenniseconomie.

Door de basisbeurs en de ov-jaarkaart af te schaffen zal de overheid zelf minder investeren in toegankelijkheid van het onderwijs. Vanaf 2017 komt er dan langzaam geld vrij voor de kwaliteit van het onderwijs. Kortom de student van vandaag en de afgestuurde van morgen moeten de rekening betalen voor jarenlange onderbestedingen in het onderwijs.

Wat zijn de effecten op het inkomen van deze groep? Het is redelijk om aan te nemen dat de meeste studenten hun inkomensval van 20 tot 40% zullen compenseren met een lening. Volgens onze berekeningen gaat de gemiddelde afgestudeerde er straks tussen de € 70 en € 97 per maand op achteruit. Dit betekent een kostenpost van € 12.700 tot € 17.500 voor starters met een diploma.

Dat is evenveel als een nieuwe auto of een behoorlijk deel van een starterswoning. Dit zijn slechts de extra bedragen: een uitwonende student die zijn hele studie leent, is straks ongeveer € 340 per maand kwijt aan het afbetalen van zijn studielening. Tel daar de kosten van kinderen, de auto, de hypotheek en natuurlijk de zorgverzekering nog maar bij op.

Het CPB heeft berekend dat slechts een heel klein deel van de studenten zal uitvallen. Maar hoeveel duidelijkheid bieden deze cijfers? Het CPB berekent alleen de effecten van de afschaffing van de thuiswonende beurs. Zij gaat er ten onrechte vanuit dat alle studenten thuis blijven wonen om kosten te sparen. Bovendien heeft zij de rentekosten en de kosten van de ov-jaarkaart niet meegerekend. In een berekening met dezelfde aannames als het CPB voorspellen wij een doemscenario voor de kenniseconomie: de studentenpopulatie kan met 7 % tot maximaal 10 % afnemen.

Het kabinet geeft het tegenargument: iemand met een diploma op zak verdient 1,5 tot 2 keer zoveel als iemand zonder diploma. Maar het gaat hier om gemiddelden: een verpleegkundige wordt harder geraakt dan een manager. Bovendien weten we nog niet of de ‘diplomabonus’ zo groot blijft als straks 50% van de arbeidsmarkt hoog opgeleid is. Toch gaat iedere student er op een gelijke manier op achteruit. Is het voorstel wel zo goed doorgerekend? En willen we deze beroepen echt ontmoedigen voor de komende generaties?

Bovendien is het afschaffen van de basisbeurs vooral pijnlijk voor de student aan de onderkant van de onderwijspiramide. Het voorstel geldt voor de hele linie, zonder rekening te houden met achtergrond.

De afgelopen jaren zijn juist wat kansen geboden voor jongeren die zich vanuit het mbo kunnen optrekken. Zo is er bijvoorbeeld de ‘associate degree’ gecreëerd waarin studenten een echt hbo-diploma kunnen halen. Het kabinet moet deze kwetsbare groepen compenseren.

Het voorstel van het kabinet heeft weinig met sociale idealen te maken. Het gaat VVD en PvdA vooral om een gedeeltelijke privatisering van het hoger onderwijs. Het voorstel hevelt € 1,2 mrd over van burgers naar het  hoger onderwijs. Het Kamerdebat woensdag zou dus ook moeten gaan over de wenselijkheid van weer een nieuwe privatiseringsronde in de publieke sector.

Download notitie over de invoering van het sociale leenstelsel en de afschaffing van de basisbeurs en de Ovjaarkaart

Extern Onderwijskwaliteit opinieartikel samenwerking van de redactie

Met compensatie onvoldoendes begint verschraling hoger onderwijs

Studenten op de universiteit van Amsterdam en de TU delft maken zich terecht zorgen om een nieuwe regeling waarbij een onvoldoende gecompenseerd mag worden, betogen studenten Eline Peters en Joost Verhoeks. Het kan de eerste stap zijn in een proces van verschraling het het hoger onderwijs.

In hun opiniestuk van 1 februari betogen prof. dr. Arnold en drs. van den Brink dat compensatoir toetsen niet tot verslechtering van het onderwijs en dat de ophef hierover overdreven is. Jammer is dat zij in hun artikel voorbeelden aanhalen die niet overeenkomen met de situatie op zowel de Technische Universiteit Delft als de Universiteit van Amsterdam (UvA).

Bij de UvA wordt het binnenkort binnen bepaalde curricula mogelijk een 5 met een 7 te compenseren. De Amsterdamse studentenvertegenwoordiging reageerde geschokt. Ook vanuit Delft kwamen kritische geluiden over het invoeren van compensatiemogelijkheden binnen universitaire modules.

Arnold en van den Brink zijn niet ongerust en stellen dat als een vak ‘gesplitst’ wordt, compensatie niet tot lagere eisen leidt, maar juist tot hogere eisen. Daarnaast suggereren ze dat hooguit een 5 gecompenseerd wordt en beargumenteren ze dat het verschil tussen een 5 en een 6 zeer arbitrair is, en geen werkelijk kennisverschil bevat.

Splitsen
Het splitsen van vakken is het onderbrengen van bijvoorbeeld een acht puntsvak in twee vier puntsvakken. Hoewel Arnold en van den Brink absoluut gelijk hebben dat er hogere eisen worden gesteld als vakken worden gesplitst, wil men zowel in Delft als Amsterdam helaas iets heel anders invoeren: compensatie gaat daar mogelijk worden gemaakt binnen clusters of modules. Reeds bestaande vakken worden samengebracht tot één cluster of module. Een voorbeeld waaruit een cluster aan de UvA kan bestaan zijn de vakken Latijn en Grieks.

Omdat binnen de module gecompenseerd kan worden betekent dit dat als iemand een 5 voor Grieks heeft, hij met een 7 voor Latijn het cluster haalt . De geschetste situatie van het splitsen van vakken is dus totaal niet aan de orde. Sterker nog, exact het omgekeerde is waar: de vakken worden samengevoegd waarna compensatie mogelijk is.

Ook de situatie waarbij een 5 met een 6 gecompenseerd kan worden is slechts gedeeltelijk aan de orde. Hoewel op de UvA de 5 wel als laagst mogelijke cijfer voor compensatie genomen wordt, wordt in het adviesrapport van de TU Delft zelfs gesproken over het compenseren vanaf een 4. Het verschil tussen een 4 en een 6 is groot en representeert wel degelijke een kennisverschil.

Politieke druk
Instellingen erkennen zelf wel dat wanneer je minder kennis in huis hoeft te hebben, de kwaliteit van je diploma daalt. Zo stelt Aldert Kamp, onderwijsdirecteur op de TU Delft, in de Volkskrant van 5 januari dat als studenten een voldoende met een onvoldoende kunnen compenseren het niveau naar beneden gaat. Dat dit de TU Delft niet tegenhoudt om compensatoir toetsen in te voeren is te danken aan de maatschappelijke en politieke druk, zo valt in het 2011 uitgekomen rapport-Brakels te lezen.

Langstudeerders zijn ook voor instellingen duur en de bezuinigingen op het hoger onderwijs maken dat er meer op rendement gestuurd moet worden. Daarnaast zijn de instellingen moreel gebonden om toegankelijk onderwijs te bieden nu de student de financiële druk van een boete voelt. Wij vrezen dat compensatoir toetsen (UvA en TU Delft), versimpeling van tentamens (VU) en het schrappen van vakinhoud (TU Delft) slechts de eerste reacties zijn op de verschraling van het hoger onderwijs klimaat in Nederland.

Prof. dr. Arnold en drs. van den Brink slaan in hun laatste zin de spijker op zijn kop: ‘Een goed vormgegeven compensatieregeling is een aanwinst voor de kwaliteit van het onderwijs’. Helaas is de compensatieregeling in Delft en Amsterdam door perverse prikkels van de overheid niet goed vormgegeven. Het is dan ook jammer dat beide heren studenten die goed onderwijs willen, wegzetten als mensen met een ‘populistisch onderbuikgevoel’. De onrust over het halen van een diploma met onvoldoendes is volkomen terecht.

Onderwijs en Geld opinieartikel van de redactie

De actieve student werkt keihard en wordt gestraft

van Lisa Westerveld

De actieve student werkt keihard en wordt gestraft

Dat ‘de’ actieve student niet studeert, maar alleen bier zuipt en borrels organiseert is natuurlijk onzin. In ‘De ‘actieve student’ is iemand die veel zuipt en niet studeert’ (Volkskrant 3 maart), maakt Leon van Wijk een karikatuur van deze student. De kracht van ‘het studentenleven’ is juist dat er zo veel verschillende actieve studenten zijn. Zij zitten in besturen van studenten(gezelligheids)verenigingen, maar ook studie-, sport- en culturele studentenverenigingen bestaan uit leden en besturen die ‘actieve studenten’ worden genoemd. En laten we niet de studenten vergeten die lid zijn van medezeggenschapsraden en opleidingscommissies, en op die manier de kwaliteit van het onderwijs verbeteren.

Verantwoordelijk zijn voor een vereniging van honderden leden of in een medezeggenschapsorgaan meebesluiten over zaken die belangrijk zijn voor de hogeschool of universiteit, kost tijd. Samen met het hebben van een bijbaan is het een van de meest genoemde activiteiten die zorgen voor studievertraging. Veelal is het actief zijn te vergelijken met een vrijwilligersfunctie; er staat niet of nauwelijks een vergoeding tegenover, maar het werk is nuttig en natuurlijk ook leerzaam. Geen wonder dat de boete die studenten moeten betalen wanneer zij uitlopen met hun studie op veel weerstand stuit. Deze ‘langstudeermaatregel’, die 3000 euro per jaar vertraging kost, houdt immers geen rekening met studenten die vertraging oplopen door bestuurs- en medezeggenschapswerk.

Het amendement collegegeldvrij besturen, ingediend door Boris van der Ham (D66) en Anne-Wil Lucas (VVD) lijkt een erg sympathieke maatregel om actieve studenten te helpen. Met het amendement willen Kamerleden dat fulltime studentbestuurders zich kunnen uitschrijven bij hun onderwijsinstelling. Hierdoor lopen zij strikt genomen geen studievertraging op (zij studeren dan immers een jaar niet) en ontlopen de boete van 3000 euro. In een verklaring stelt Van der Ham: ‘Het kan gaan om bestuurswerk, het bouwen van een solarauto of deelname aan een Olympisch roeiteam. In alle gevallen dient het te gaan om actieve studentenbijdragen die van groot belang zijn voor de ontwikkeling van de student, voor het studieklimaat en voor Nederland.’

 Helaas worden bovengenoemde activiteiten meestal parttime gedaan. Verreweg de meeste bestuurders van de eerder genoemde studie,- sport, – en culturele verenigingen, alsmede de meeste leden van medezeggenschapsraden studeren daarnaast.  Topsport doe je niet een jaartje fulltime en daarna niet meer. Voor de studenten die de solarauto bouwen geldt bovendien dat zij verplicht vakken moeten volgen. Juist deze groepen hebben dus niets aan het amendement. De fulltimers die wel baat hebben bij uitschrijving zijn vooral bestuurders van de gezelligheidsverenigingen van universiteiten.

Van Wijk heeft een punt als hij stelt dat ‘collegegeldvrij besturen’ niet een heel goed idee is. Het amendement schiet zijn doel voorbij door juist degenen die hun tijd niet besteden aan bier drinken over te slaan. Helaas begaat hij dezelfde fout als de indieners van het voorstel door te doen alsof er één type bestuurder is.

Lisa Westerveld was van 2007-2009 voorzitter van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb).

Onderwijs en Geld opinieartikel van de redactie

Studiefinanciering? Leenstelsel? Studietax! (2/2)

Door Lisa Westerveld op vrijzinnig.nl

Over alternatieven en draaiende partijen (deel II)

Uit het eerste deel van dit betoog blijkt dat argumenten voor of tegen studiefinanciering niet zozeer inhoudelijk bepaald worden maar vooral afhangen van de strategie die een politicus op dat moment aanhangt. Jammer, want juist inhoudelijk is er een grote winst te boeken. In het verleden is er vaker nagedacht over alternatieve modellen. Behalve de eerder genoemde ‘hogeronderwijsbelasting’ duikt ook de naam ‘academicibelasting’ regelmatig op. Omdat de verschillende termen grotendeels te herleiden zijn naar dezelfde uitgangspunten, gebruik ik ‘studietax’ in dit stuk. Zoals eerder gezegd ontwikkelden de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb), PvdA, en GroenLinks een stelsel dat ‘studietax’ gedoopt werd. Het is evident dat het oorspronkelijke idee niet ongewijzigd op de huidige praktijk gelegd kan worden, maar wel is het interessant eens naar de uitgangspunten te kijken. De belangrijkste daarvan zijn de volgende:

  • De studiebeurs wordt verhoogd zodat iedere student kan studeren en voorzien in zijn levensbehoefte, zonder dat het noodzakelijk is er fors naast te werken of te lenen.
  • Het collegegeld wordt afgeschaft.
  • De studieschuld wordt vervangen door een collectief studiefonds, waaraan alle studenten na het afstuderen bijdragen.
  • Afgestudeerden betalen niet een vast bedrag, maar een klein percentage van hun inkomen gedurende een aantal jaar (dit zijn variabelen).
  • Het bedrag dat iemand terug moet betalen hangt wel af van het aantal maanden dat hij gestudeerd heeft. In het oorspronkelijke plan draagt een afgestudeerde per gestudeerde maand, drie maanden een bepaald bedrag bij.

Het grote voordeel met dit systeem is dat leenangst wordt tegengegaan en het hoger onderwijs toegankelijker wordt voor mensen uit lage inkomensgroepen. Immers, wanneer je na je afstuderen weinig verdient, betaal je minder terug. Degenen die vijf keer modaal verdienen, betalen meer terug en in die zin is studietax een progressieve belasting. Tegelijkertijd wordt er genoeg terugbetaald om te kunnen investeren in de nieuwe generatie studenten. Bovendien zit er geen leeftijdsgrens aan het plan waardoor het Leven Lang Leren pas echt bevorderd wordt. Studenten krijgen meer tijd voor hun studie omdat ze niet meer worden afgeleid door leenperikelen of veel tijd kwijt zijn aan bijbaantjes.

Nadelen zijn er ook, zowel van principiële als praktische aard. Is het terecht om een bepaalde groep meer te laten betalen? Wat doen we met mensen die naar het buitenland verhuizen? Wat gebeurt er wanneer iemand aan het begin van zijn carrière weinig, maar later veel verdient? Bovendien stellen critici als studenten niet worden geconfronteerd met de ‘waarde’ (lees: kosten) van hun studie, zij deze waarschijnlijk minder op waarde schatten. Hogere belastingen in de toekomst zijn wat dat betreft een veel vager middel dan een leenstelsel of zelfs het huidige lage wettelijke collegegeld.

Of het stelsel echt uitvoerbaar is zal echter nog moeten blijken, want er vallen serieuze vraagtekens te zetten bij de grondigheid van het onderzoek dat er naar verricht is. De commissie Vermeend heeft zich hier in 2003 mee bezig gehouden, maar dit rapport gaat vooral over studiefinanciering en verkent slechts ten dele een stelsel van studietax. De commissie wijst studietax af aan de hand van praktische nadelen zoals wet- en regelgeving waardoor een dergelijk stelsel onmogelijk zou zijn. Mij lijkt echter dat we juist een overheid hebben om wet- en regelgeving aan te passen en daarmee dit soort praktische bezwaren op te lossen. Bovendien verwijst de commissie naar een rapport van het CPB dat aantoont dat het stelsel niet uitvoerbaar is. Wel, laat nu net econoom Bas Jacobs (degene naar wie ik eerder verwees) een van de auteurs zijn.

Waar gaat het mis?

Studiefinancieringsstelsels zijn in het verleden regelmatig onderzocht. Eerder noemde ik de commissie Vermeend uit 2003, die de opdracht kreeg te onderzoeken welk financieringsstelsel wenselijk was. Het kan geen kwaad te vermelden dat deze commissie in het leven werd geroepen door staatssecretaris Annette Nijs van de VVD. Iemand die nog fanatieker was in het promoten van lenen, hogere collegegelden en meer barrièremaatregelen dan de huidig staatssecretaris (Zijlstra). Ondanks deze discussies is studietax de laatste tien jaar nauwelijks serieus genomen als alternatief voor studiefinanciering. En dat roept een behoorlijk aantal vragen op. Niet alleen naar de politieke agenda van onderzoekers, maar ook naar de rol van de politiek. Dat partijen die geen fan zijn van progressieve belastingstelsels niets voelen voor het model mag duidelijk zijn. Maar waarom is de SP bijvoorbeeld nooit voorstander geweest maar pleit ze wel voor het verhogen van de belasting in de hoogste schaal? En waarom trokken PvdA en GroenLinks zich terug?

De kentering van de PvdA is te herleiden naar 2002 toen Kamerlid en oud vakbondsman Jacques Tichelaar, samen met Martijn van Dam, het hoger onderwijs in de uitverkoop zette. Hogere collegegelden en selectie lagen ter bespreking op tafel, op voorwaarde dat er een nieuw stelsel van studiefinanciering zou komen. Nadat Tichelaar geen woordvoerder hoger onderwijs meer was, zijn de plannen echter naar de achtergrond verdwenen en maakten kennelijk plaats voor een leenstelsel. Bij GroenLinks heeft een paar jaar later een dergelijke verschuiving plaats gevonden. In februari  2010 tweette toenmalig fractievoorzitter Femke Halsema dat studietax studenten meer geld en minder zorgen geeft en minder afhankelijk maakt. Drie maanden later werd echter bekend dat de partij plotseling van standpunt wisselde.  Een rapport van het – hoe kan het anders – Centraal Planbureau (CPB) lag ten grondslag aan deze plotselinge draai standpuntherziening.

Of toch niet? In een bericht op de site geeft Femke Halsema, samen met de toenmalige onderwijswoordvoerder van GroenLinks, Tofik Dibi, aan dat GroenLinks niet voor een levenslange terugbetaling is, maar een variant voorstelt op het sociaal leenstelsel. Opvallend is dat het rapport Keuzes in Kaart 2011-2015 echter stelt ‘GroenLinks wil het sociaal leenstelsel invoeren, wat 0,4 mld euro bespaart in 2015 en 0,8 mld euro structureel’.

Doorrekening CPB

De ‘doorrekening’ van het CPB in 2010 sloeg in bij de voorstanders van studiefinanciering. Niet alleen politieke partijen gebruikten het als excuus om studietax definitief vaarwel te zeggen, ook de LSVb stelde haar standpunt bij en maakte het behoud van studiefinanciering een thema in de verkiezingscampagne. Wie de ‘doorrekening’ echter goed bekijkt, ziet een bijlage bij de doorrekening van de verkiezingsprogramma’s van nog geen 25 pagina’s. Hierin komt maar liefst vijf keer het woord ‘academicibelasting’ voor, waarvan een meerderheid in de kop en de voetnoten.

Opvallender is dat na een vluchtige lezing al snel duidelijk wordt dat het geen onderzoek is, maar dat de onderzoekers een mening hebben die zij graag kwijt willen. Zo begint het rapport met de mededeling dat het huidige stelsel ondoelmatig is omdat er ook subsidies worden verstrekt aan studenten die zelf hun studie kunnen betalen. Een leenstelsel is beter, omdat het deze ondoelmatige bestedingen tegen gaat. Daarnaast geven de onderzoekers niet overal een juist beeld van de situatie. Zo stellen zij dat hoger opgeleiden met een laag inkomen minder of niets terug hoeven te betalen. Wanneer argumenten niet goed uitkomen (zoals onderzoeken waaruit blijkt dat prijsverhogingen leiden tot minder deelname aan hoger onderwijs) wordt dit niet meegenomen, maar weerlegt men dit door een aantal andere rapporten te noemen die deze resultaten niet bevestigen. Grappig detail is dat de onderzoekers een bijzondere kijk hebben op argumenten die niet economisch van aard zijn. Het kopje ‘Niet-economische argumenten’ gaat in zijn geheel over het streven naar een meer gelijke inkomensverdeling…

Het meest storend is dat de ‘doorrekening’ niet alleen marginaal is, zo worden enkel berekeningen gemaakt op basis van een afdracht tot 65 jaar. Er zijn geen scenario’s doorberekend, iets wat men in een echte doorrekening mag verwachten. Bovendien maken de onderzoekers gebruik van andere CPB rapporten en heb ik al eerder geschreven dat bij datzelfde CPB een aantal personen werkzaam is die al jarenlang een lobby voeren voor de afschaffing van de studiefinanciering. Gelukkig vindt ene mijnheer B. Jacobs het CPB een zegen voor de democratie en mag er best kritiek komen; ‘Maar die kritiek moet komen van economen, niet van politici.’

Als iets pijnlijk duidelijk wordt is dat er helemaal geen doorrekening bestaat, noch een recent onderzoek naar de mogelijkheden van een alternatief stelsel van studiefinanciering. Of er is wel een doorrekening, compleet met ingewikkelde grafiekjes, tabellen en cijferreeksen, maar die wordt dan angstvallig verborgen gehouden. Kunnen wij in een land dat koning is in het maken van ingewikkelde belasting- en pensioensystemen nu echt niet op zoek gaan naar mogelijkheden om ook de toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen en er een prijskaartje aan te hangen voor degenen die het kunnen betalen? Natuurlijk, mogelijk komen we erachter dat een dergelijk stelsel helemaal niet werkt. Maar als we het niet onderzoeken, weten we het nooit.

Lisa Westerveld pleit voor het een gedegen onderzoek naar de mogelijkheden van studietax dat niet gedaan wordt door economen die op voorhand al weten wat de uitkomst van hun onderzoek is. Beter is het om een creatieve geest in te schakelen die een hele andere uitkomst voor ogen heeft.

opinieartikel van de redactie

Een goed docent heeft weinig met vorm te maken

De meeste studenten die vandaag en morgen de collegezalen bevolken, kunnen twitteren op hun telefoon met één hand, dragen de hipste kleren, hebben een actief profiel op tenminste 3 sociale netwerksites en beschouwen ‘googlen’ als één van de belangrijkste werkwoorden in hun vocabulaire.


Intimiderend? Vast wel. Is dat erg? Mwah, neuh.

Ook ik heb uiteraard een smartphone, maak Prezi presentaties in een handomdraai, kan allerlei documenten converteren en heb enkel ruzie met de multifunctional, omdat iets per se geprint dient te worden. Nog niet zo lang ben ik geen student meer.

 

Wel heb ik de eer gehad om tijdens mijn studie aan de andere kant van de zaal te mogen staan. Als trainer voor studentenorganisaties heb ik veel inspirerende en actieve studenten mogen ontmoeten en dit alles in ruim 2 jaar. Ik heb er veel van geleerd, maar één van de belangrijkste dingen die ik met trainers en docenten zou willen delen is een enorme open deur. En toch lijkt die deur soms dicht.

 

Toen ik net begon als trainer was ik erg onder de indruk van de deelnemers. Ik was lang niet zo cool, hip en op de hoogte als zij. Ik hield (en houd) van stoffige boeken of lange beleidsstukken lezen, programmeren, oude filosofie en geschiedenis. Ik wist (en weet) niet wat ‘the place to be’ is, hoor niet bij de ‘crowd’ die altijd de vipkaarten krijgt en ik kom niet in Bloemendael. Kortom: zij waren cool en ik niet. Waarom zouden ze het interessant vinden wat ik te melden heb?

 

Onderweg kwam ik er achter dat iedereen dingen kan die jij niet kan, dus dat dat hoogstwaarschijnlijk andersom ook zo is. Ik kon dingen overbrengen en hoe meer ik dat doorkreeg, hoe meer ondersteunende middelen naar de achtergrond verdwenen. Als ik training geef, praat ik het liefst zo weinig mogelijk en gebruik ter ondersteuning hooguit een bord of een flipovervel. Als het echt nodig is dan. Zie ik er suf en stoffig uit? Ja, ongetwijfeld. Maakt het uit? Nou nee.

 

Hoe tech savvy ik ook mag zijn, hoezeer ik zelf ook van allerlei moderne middelen houdt, t maakt niet uit. Goed doceren heeft eigenlijk niks met vorm te maken, misschien zelfs ook niet altijd met inhoud, maar wel met de zekerheid en het enthousiasme van een docent, waarbij de docent het merkbaar leuk vindt om studenten zelf dingen te laten ontdekken. Dat kan volgens mij alleen maar als je jezelf bent.

 

Studenten kunnen genadeloze wezens zijn, hoor, begrijp me niet verkeerd. Maar ze zijn vaak niet genadeloos over de issues die je zelf hebt bedacht. Ze zijn genadeloos als ‘het niet klopt’. Als je krampachtig probeert jong en cool te blijven door verkeerd begrepen media of taal te gebruiken, faal je volledig. Als je echter bioloog bent, op je bergschoenen binnenkomt met een versleten broek en niet matchende sokken maar vertelt hoe je avontuur was om dat ene plantje te vinden, slaag je met vlag en wimpel.

 

Heb je lol in wat je doet, geef je fouten toe en durf je te zeggen dat je iets niet weet, dan zullen studenten met je weglopen. Hoe hip of niet hip je ook bent. Maar zelfs dat zou niet moeten uitmaken. Dat ze op die manier altijd aan jou (en je plantje dus) terug zullen denken met lol (van jou geleerd) in hun vak en kennis (van jou geleerd) in hun hoofd, dat zou uit moeten maken. Een beetje gek zijn we toch allemaal, dus leer je studenten om ook een beetje gek te durven zijn ;-)

Doceren is mensenwerk. Durf één mens te zijn.